De paastijd begint op Palmzondag, precies één week voor paaszondag. Op die dag wordt in de kerk herdacht dat Jezus de heilige stad Jeruzalem binnenkwam om daar met zijn vrienden het Joodse paasfeest (Pesach) te gaan vieren.
Zijn volgelingen wuifden hem toe met palmtakken.In Nederland hebben we die niet. Mensen in de kerk krijgen nu buxus-takjes als herinnering aan die intocht.
Op de woensdag na het carnaval gaan de katholieken en sommige protestante gelovigen naar de kerk om een askruisje te halen. Dat askruisje is een teken van boetedoening. De as is gemaakt van de overgebleven buxustakjes die het jaar ervoor met Palmzondag aan de gelovigen tijdens Palmzondag zijn uitgedeeld.
Die woensdag heet dan ook ‘Aswoensdag’.
Op de donderdag erna had Jezus met zijn trouwste volgelingen (apostelen of discipelen) een feestmaal ter ere van het Joodse paasfeest. Dat is een lentefeest waarmee de Joden de uittocht uit Egypte (en daarmee de bevrijding van slavernij) herdenken. Later zijn ze die laatste maaltijd van Jezus met zijn vrienden het ‘Laatste Avondmaal’ gaan noemen. In de kerk heet deze dag ‘Witte Donderdag’.
Jezus werd door Pontius Pilatus, de Romeinse landvoogd van Judea ter dood veroordeeld. De Joodse bevolking had een hekel aan de Romeinen. Ze hoopten dat Jezus, die de Verlosser werd genoemd, er wel voor zou zorgen dat ze van de Romeinen verlost zouden worden. Toen Jezus vertelde dat dit niet zijn bedoeling was, werden veel mensen boos en vonden dat hij dan maar moest sterven.
Volgens de Joodse tradities mag er tijdens de sabbat, de rustdag, niet gewerkt worden. De sabbat duurt van vrijdag vlak voor zonsondergang tot zaterdag na zonsondergang. De trouwe volgelingen mochten van de Romeinen de gestorven Jezus vrijdagmiddag laat van het kruis halen. Ze legden hem daarna in een graftombe en ze rolden er een zware steen voor. In de kerk heet deze dag Goede Vrijdag.